Prestatie-indicatoren.
Het Kempelonderzoekscentrum werkt projectmatig en op basis van smart omschreven prestatie-indicatoren (zie Onderzoeksbeleid).
Breedte- en diepteprojecten.
Om structuur aan te brengen in de projecten onderscheiden we breedte- en diepteprojecten. Bij de breedteprojecten zijn onderwijsontwikkeling en ontwikkelingsbegeleidend onderzoek geïntegreerd. De deelnemers uit de verschillende actorgroepen zijn zowel ontwikkelaar als onderzoeker. Zo’n project kent steeds één of meer eigen school- of projectkenniskringen. Daarin zitten altijd aanstaande leraren naast leraren van de partnerscholen en vaak ook anderen zoals de onderwijsbegeleider. De kenniskring heeft tot taak de kansen en belemmeringen van de beoogde onderwijsontwikkeling door praktijkonderzoek na te gaan en de kennis die ze uit dat onderzoek verkrijgen, te delen met de achterban en extern. Dergelijk praktijkonderzoek wordt ook wel aangeduid als actie-onderzoek.Bij de diepteprojecten is het ontwikkelingsbegeleidende onderzoek ‘geobjectiveerd’ van de onderwijsontwikkeling. De onderzoeker is zelf geen deelnemer aan de onderzochte onderwijsontwikkeling. De focus is dan primair gericht op wetenschappelijk inzichten met herkenbare spin off voor de praktijk. Bij de breedteprojecten is deze focus omgekeerd.
Binnen elk projectonderwerp gaan onderwijsontwikkeling en onderwijsonderzoek hand in hand. De onderwerpen sluiten steeds aan of bouwen voort op onderwijsontwikkelingen op De Kempel en in het werkveld.
Lopende projecten
1. Kenmerken van werkplekleeromgevingenHet eerste project is gebaseerd op een eerder uitgevoerd diepteproject dat een promotieonderzoek omvatte. Dit inmiddels afgeronde onderzoek is uitgevoerd door de associate lector, dr. Jeannette Geldens. Binnen het lectoraatsthema was het opgenomen als een co-project waarbij de Hogeschool samenwerkt met het Onderzoekscentrum van het Instituut voor Leraar en School (ILS) van de Radboud Universiteit Nijmegen. Het onderwerp sloot aan bij het onderzoeksprogramma ‘de professionele ontwikkeling van leraren’ van het ILS. Op 8 oktober 2007 is de onderzoeker op dit project gepromoveerd (Geldens, 2007).De oorspronkelijke doelstelling van het project blijft gehandhaafd. Deze behelst het leveren van bijdragen aan de wetenschappelijke kennis van de elementen, kenmerken en componenten die een werkplekleeromgeving constitueren voor de praktijk ook inzicht te krijgen in de kwaliteit van begeleidingselementen binnen een werkplekleeromgeving. De focus komt daarbij te liggen op kwaliteitselementen en kenmerken van ‘samen betekenisvol en ontwikkelingsgericht opleiden’.Het oorspronkelijke project resulteerde in een analytisch kader dat mogelijkheden biedt om in de praktijk de kenmerken en kwaliteiten van een werkplekleeromgeving te beschrijven en te analyseren. De toepassingsmogelijkheden zijn dusdanig van belang voor het opleidingsonderwijs dat dit kader op verschillende plaatsen en door verschillende groepen is overgenomen en verder wordt onderzocht. In samenwerking met externe ontwikkelaars en onderzoekers is nagegaan hoe de criteria te benutten voor kwaliteitszelfevaluatie (ZEK-onderzoek) en voor certificering van zogenaamde Opleidingscholen. Voor dit laatste werkt de associate lector nauw samen binnen andere projecten vanuit het Kempellectoraat (project ‘Samen leraar worden’) en vanuit de Hogeschool (project ‘Samen opleiden’). Het kwaliteitskader evenals de indeling in drie scenario's blijkt landelijk op diverse manieren de basis te vormen voor de opbouw van kwaliteitszorgsystemen voor 'opleiden in de school' in casu voor 'samen opleiden'.
Gezien deze ontwikkelingen is besloten om dit project vooralsnog tot 2011 voort te zetten in het kader van kennisdisseminatie en -implementatie. Uit de praktijk blijft de vraag om een meer toepassingsgerichte versie uit te werken. Dit is in ruimere zin inmiddels gebeurd. In november 2009 is tijdens een symposium 'betekenisvol leren onderwijzen', de presentatie van een praktijkboek waarin een tiental aan betekenisvol leren onderwijzen gerelateerde onderwerpen an de orde komt.In samenspraak met de projectleider en de onderzoeker zijn verder boekbesprekingen verzorgd door twee externe auteurs voor het Velontijdschrift en voor Pedagogische Studiën. Beide besprekingen zijn aan deze tijdschriften inmiddels aangeboden en geaccepteerd. Tevens vindt op de praktijkgerichte kennisdisseminatie van de onderzoeksresultaten plaats op basis van artikelen in tijdschriften zoals Didaktief en Praxisbulletin.
Ten slotte worden de uit het onderzoek verkregen gegevens en resultaten binnen de hogeschool verwerkt. Onder meer in het ‘Conceptueel kader leren in leerwerkgemeenschappen’. Ook zijn de uitwerkingen van de drie onderscheiden scenario’s richtinggevend voor de indeling van en contacten met stage/partnerscholen. Daarbij worden door de onderzoeker gevonden kwaliteitskenmerken gerelateerd aan de drie scenario’s voor partnerschap in opleiden.
De lector dr.mr. Herman L. Popeijus is projectleider zowel vanuit het Kempellectoraat van de Hogeschool als vanuit het ILS van de Radbouduniversiteit.Het in 2003 over de (eerste) resultaten van dit onderzoek gepubliceerde artikel, verkreeg de eerste prijs voor het beste artikel in het Velontijdschrift van dat jaar.
2. Realiseren leerwerkgemeenschappenDit project is een vierjarig breedteproject. Het startte op basis van een projectplan in studiejaar 2005-2006 en liep tot 2008-2009. Aan het einde van 2007-2008 is het project voor één van beide deelnemende scholen afgerond. Hierdoor ontstond ruimte voor een andere school van hetzelfde bestuur (Novem) om aan het project deel te nemen. Begin 2008 is een tussentijds verslag over ‘Twee jaar realisatie leerwerkgemeenschappen’ verschenen. In het tussentijdse verslag zijn de onderzoeksresultaten opgenomen naar de vraag welke vormen van leerwerkgemeenschappen bijdragen aan het (samen) leren van de aan die leerwerkgemeenschappen deelnemende personen. Naast de beide laatste scholen gaven nog twee andere scholen van het bestuur aan in het project te willen participeren. Doordat tevens ruimte werd verkregen voor adequate begeleiding, konden met ingang van schooljaar 2008-2009 vier scholen van het Novem-bestuur aan het project deelnemen. Een eindverslag van het project is voorzien voor medio 2011.
De gemeenschappelijke doelstelling is voor de nieuwe periode van 2009-2011 verschoven naar het stimuleren en onderzoeken van de inzet van leerwerkgemeenschappen bij schoolontwikkelingen op de partnerschool Die leerwerkgemeenschappen bestaan uit leraren van de partnerschool en aanstaande leraren van de hogeschool en eventuele andere deelnemers zoals de onderwijsbegeleider. Bij het praktijkonderzoek wordt tevens gekeken of de ontwikkelingen op de partnerschool gevolgen hebben voor het opleiden van de aanstaande leraren en welke consequenties daaraan zijn te verbinden voor de partnerschool zowel als voor de hogeschool.
In de leerwerkgemeenschappen werken en leren de deelnemers samen met als doel vooraf bepaalde gemeenschappelijke doelen te bereiken waarvan het resultaat een bijdrage levert aan de schoolontwikkeling. Leerwerkgemeenschappen onderscheiden zich afhankelijk van de doelstelling, naar inhoud en vormgeving (waaronder samenstelling). Overlegvormen, gezamenlijk werk voorbereiden, collegiale consultatie, intervisie, school video interactiebegeleiding in een groep en de hiermee verbonden reflectiegesprekken zijn voorbeelden van componenten van leerwerkgemeenschapsvormen. Gemeenschappelijk is steeds de gerichtheid op het leren (het professionaliseren) van en over het werk.In onze leerwerkgemeenschappen participeren dan ook leraren, bouwcoördinatoren, directies van de basisscholen en -altijd ook- aanstaande leraren van Hogeschool de Kempel. De teams zowel als de direct bij het project betrokken aanstaande leraren, werken in schoolkenniskringen samen. Ook deze kenniskringen kunnen we opvatten als leerwerkgemeenschappen. Door middel van ontwerpgericht ontwikkelingsbegeleidend onderzoek, met als kern het denk- en handelingsmodel van de ROTOR-cyclus (Geldens & Popeijus, 2007a), wordt ernaar gestreefd de kwaliteit van een schoolontwikkeling te bewaken en te borgen.De projectleider drs. Wil van Venrooij voert samen met docent-onderzoeker drs. Jan Sleegers, dit project uit.
Parallel aan het project loopt een afzonderlijk promotieonderzoek waarin de condities, effecten en het verloop van de schoolverbetering worden onderzocht. Dit onderzoek vindt plaats onder alle scholen van het bestuur en wordt uitgevoerd vanuit het SCO-Kohnstamm Instituut door drs. Erik Thoonen. Dit onderdeel zal vermoedelijk eind 2010 worden afgerond. Voor dat onderdeel is de voorzitter van het Kempelonderzoekscentrum contactpersoon.
3. Samen leraar wordenDit breedteproject is in 2007-2008 opgezet in samenwerking met basisschool De Pas. Het projectplan ‘Samen leraar worden’ omvat een groeiplan met als subtitel ‘op weg naar onderwijskwaliteit in professionele leerwerkgemeenschappen’. De Hogeschool en de Stichting Prisma willen een doorlopende bekwaamheidsontwikkeling relateren aan schoolontwikkeling en zo met elkaar groeien van ‘de school als leverancier van stageplaatsen’ naar ‘partners in leren’ (Geldens, 2007; Geldens & Popeijus, 2007b). Daarbij willen ze de scheiding tussen denken en doen of wel tussen praktijk en theorie overbruggen door ontwikkelingsbegeleidend onderzoek (Geldens & Popeijus, 2006b), gefundeerd in samenwerkingsafspraken die ze mede afleiden van de onderzoeksresultaten van het project ‘Samen opleiden’. Vanaf schooljaar 2008-2009 neemt naast basisschool ‘De Pas’ ook basisschool ‘De Liaan’ deel aan het breedteproject. De kwaliteit van de beoogde onderwijsontwikkeling zal worden geborgd door het ontwikkelingbegeleidend onderzoek te baseren op de op onderwijsontwikkeling gerichte uitwerking van de PDSA-cyclus: het denk- en handelingsmodel ROTOR. De kwaliteit van de werkplekleeromgeving kunnen de partners borgen door gebruik te maken van de elementen uit het kwalitatieve conceptuele analytisch kader van Geldens (2007). Dit maakt certificatie als opleidingsschool mogelijk. Genoemd kwaliteitskader is mede daartoe opgenomen in het Bestuurscharter van de HBO-raad en is uitgewerkt als zelfevaluatiekader in het ZEK-instrument (Haenen, Kallenberg & Geldens, 2008; Hoffmans, 2005).Voor dit project is door de voorgaande projectleider, drs. Marcel Lemmen, een weblog gemaakt. Met zijn benoeming per 2009-2010 tot manager initiële opleiding van De Kempel is drs. Hilde Douma benoemd tot projectleider. Het project is op 16 maart 2010 met een speciale werkbijeenkomst op De Pas op een leerzame én feestelijke wijze beëindigd. In het najaar van 2010 zal de projectleider in samenwerking met beide scholen een eindrapportage opstellen.
4. Conceptueel kader leren in leerwerkgemeenschappena. In het kader van de schoolontwikkeling heeft de Hogeschool behoefte aan een conceptueel kader met uitgangspunten en kenmerken van het leren en leren onderwijzen in leerwerkgemeenschappen door aanstaande leraren basisonderwijs. Het uitwerken van dit kader wordt naast resultaten uit literatuuronderzoek, mede gebaseerd op onderzoeksresultaten uit de andere projecten. Gezien de beschikbare tijd en de wens de resultaten mede te stoelen op de (praktijk)resultaten uit de andere lectoraatsprojecten zal dit project een tijdsduur van tenminste twee jaar vergen. In het kader van het ontwikkelen van een nieuw strategische beleidsplan van de Hogeschool is besloten dit project te versnellen en in een eerste versie te beperken tot de kern. In mei 2007 is deze eerste versie van het document ‘Onderzoekend leren onderwijzen in leerwerkgemeenschappen’ (Popeijus & Geldens, 2007b) uitgebracht. Dit document beschrijft de visie en uitgangspunten voor ‘samen mensen verbinden die leren een warm hart toedragen door samen kennis te ontwikkelen, deze samen te delen en te vermenigvuldigen.’ b. In het cursusjaar 2008-2009 is dit document verder uitgewerkt en aan de praktijk gerelateerd, in het kader van een stageopdracht voor een universitaire masterstudent. Eind 2009 zijn de resultaten opgenomen als onderdeel van het boek ‘Betekenisvol leren onderwijzen in de werkplekleeromgeving’(Popeijus & Geldens, Eds. (2009) en tijdens een groot landelijk symposium op 3 november 2011 gepresenteerd. Het Kempellectoraat ‘Leren in leerwerkgemeenschappen’ gaat in 2010-2011 zijn laatste jaar in. Gedurende dat jaar zullen enkele uit dit project voortvloeiende resultaten (zoals de Onderzoekslijn in het curriculum en de ROTOR-systematiek) worden geïmplementeerd in het curriculum van de hogeschool. De projectleiding ligt in handen van de lector van het Kempellectoraat ‘Leren in leerwerkgemeenschappen’.
5. Aansluiting HO-WO, partnerschappen De aansluiting HO-WO omvat een doorlopend traject waarin kennis-partnerschappen een belangrijke rol spelen. De Hogeschool streeft ernaar in een win-win situatie promotie-, onderzoeks- of stageplaatsen bieden aan universitaire of post-hbo studenten. Ten behoeve van dit project heeft de lector afspraken gemaakt met hoogleraren van de Radbouduniversiteit en van de Universiteiten van Utrecht, Amsterdam en Leuven voor het bieden van dergelijke plaatsen. Tevens zijn afspraken gemaakt over de begeleiding van promotie- en doctoraal in casu masteronderzoek gerelateerd aan het centrale lectoraatsthema. De mogelijkheid om stage en onderzoek op de Hogeschool De Kempel uit te voeren is in het kader van deze samenwerkingsafspraken opgenomen in de studiebrochures van de betreffende Universiteiten (Popeijus, 2008).
De afgelopen jaren hebben een toenemende vraag naar stage- en onderzoek op en vanuit de hogeschool en naar samenwerking op dit gebied te zien gegeven. Om deze vraag te reguleren en de kwaliteit te borgen van stage en onderzoek op en vanuit de Hogeschool, is het afgelopen jaar een document ‘Onderzoeksbeleid en -reglement van Hogeschool de Kempel’ uitgewerkt. Daarbij zijn gegroeide en bestaande stage en onderzoekspraktijken en afspraken op dit gebied tegen het licht gehouden van het strategisch beleid van de Hogeschool en verwerkt in het document. Bij het uitwerken van de bepalingen is tevens is gelet op ontwikkelingen die voortvloeien uit of gerelateerd zijn aan landelijk beleid en daarmee samenhangende regelgeving. Dit document is op 27 mei 2008 door het CvB en de Lector vastgesteld en is richtinggevend voor alle onderzoek of aan onderzoek gerelateerde activiteiten op of vanuit de Hogeschool. In verband met de komst van een nieuw Kempellectoraat Eigentijds beoordelen en toetsen is de organisatie van het onderzoek op en vanuit De Kempel aangepast. In verband hiermee is een nieuw document opgesteld, ‘Beleidskaders voor onderzoek op en vanuit Hogeschool de Kempel’, dat per 1 september 2010 in de plaats treedt van het voornoemde beleidsstuk.
Het Onderzoekscentrum is verantwoordelijk voor de algemene onderzoeksopdracht die primair is gericht op het leren onderwijzen en opleiden op de lerarenopleiding zelf. Die opdracht omvat jaarlijks een of meer onderzoeken doorgaans van kortere duur waarbij de onderzoeker doorgaans geen deel uitmaakt van de te onderzoeken onderwijsontwikkeling (de zogenaamde diepteprojecten). Hiertoe zijn in het bijzonder de master- en promotieonderzoeken te rekenen. Het Onderzoekscentrum herbergt ook een of meer Kempellectoraten. Die houden zich voornamelijk bezig met onderzoek in breedteprojecten. Dit zijn projecten binnen een specifieke onderzoeksopdracht zoals ‘Éigentijds toetsen en beoordelen’ of ‘Leren in leerwerkgemeenschappen’, waarin leraren van partnerscholen en altijd ook aanstaande leraren van de opleiding participeren.
Recent is een Samenwerkingsdocument ondertekend door het bestuur van de Hogeschool en de Technische Universiteit Eindhoven / ESOE voor verdergaande samenwerking op het gebied van onderzoek en professionalisering binnen de lerarenopleidingen. Concreet resultaat van deze samenwerking zijn twee promotieonderzoeken. Voor het eerste promotieonderzoek is het onderzoeksplan inmiddels opgesteld en goedgekeurd. Voor het tweede onderzoek wordt dit najaar het onderzoeksplan uitgewerkt.
De voorzitter van het Kempelonderzoekscentrum is projectleider en eerste begeleider en co-promotor. De lector van het Kempellectoraat ‘Leren in leerwerkgemeenschappen’ fungeert als tweede co-promotor.
Ook voor het Kempellectoraat ‘Eigentijds toetsen en beoordelen’ is een promotietraject voorzien. Dit zal worden uitgevoerd in samenwerking met de Universiteit Maastricht, de Open Universiteit en het KPC.
6. Curriculumgerelateerde ontwikkelingena. Het project ‘Curriculumgerelateerde ontwikkelingen’ omvat op aanvraag bijdragen aan curriculum ontwikkeling en aan de opzet van een vrij of keuze minor gericht op het ontwikkelen van onderzoeksvaardigheden voor excellerende Kempelstudenten die door willen studeren aan de Universiteit. Daarmee is het nauw gerelateerd aan het voorgaande project. Momenteel wordt een bijdrage geleverd aan de uitwerking van een curriculumlijn voor het tweede jaar van de stroom Leadership&Education’ uit het Challenge Program.
Afgelopen jaren is vanuit het Onderzoekscentrum een bijdrage geleverd in de vorm van een beleidsvoorstel voor het ontwikkelen van een doorgaande lijn in het onderzoeksrepertoire van Hogeschool de Kempel (Geldens & Himbergen, 2008). Dit voorstel is in 2008-2009 en 2009-2010 nader onderzocht op haar consequenties. In 2010-2011 vindt implementatie plaats.b. De voorzitter van het Onderzoekscentrum heeft tevens een bijdrage geleverd aan de uitwerking van een HBO-mastertraject ‘Innoveren en leren’. De komende jaren zal zij als kern-docent tevens onderwijs en onderzoek verzorgen ten behoeve van dit mastertraject. Dit geldt ook voor de lector ‘Eigentijds toetsen en beoordelen’. De lector ‘Leren in leerwerkgemeenschappen’ is als expert-docent aan de master verbonden.c. Daarnaast is voor aanstaande leraren van de Hogeschool de mogelijkheid opengesteld om deel te nemen aan een bijzonder stagetraject bij het opleidingscentrum van de KRVE in de haven van Rotterdam. Een soortgelijke stage bij de Rijksinspectie is in voorbereiding. d. In verband met implementatievraagstukken van de onderzoeksresultaten in beleid en handelen (zie BID-model) van de Hogeschool zal het dit jaar in gang gezette overleg met de Manager Kennisimplementatie van de Hogeschool worden voortgezet.De projectleiding ligt bij de lector van het Kempellectoraat Leren in leerwerkgemeenschappen en de voorzitter van het Onderzoekscentrum gezamenlijk.
7. Op zoek naar de stem van het jonge kindIn dit diepteproject wordt onderzocht of het mogelijk is verantwoord conclusies te trekken over de kwaliteit van het onderwijs op grond van wat jonge kinderen daarover vertellen. Het onderzoeksproject draagt als voorlopige titel ‘Op zoek naar de stem van het jonge kind.’Het onderzoek gaat over de samenhang tussen de betekenisverlening van jonge leerlingen en de betekenisverlening van hun leraren en hun ouders/verzorgers. Het belang daarvan voor (aanstaande) leraren basisonderwijs is evident.
Het project bevond zich in het schooljaar 2007-2008 in een exploratieve fase waarin de onderzoeker drs. Anja Tertoolen, een pilotonderzoek uitvoerde. Ten behoeve van het promotietraject is een projectplan opgezet in samenwerking met de Vrije Universiteit. Over de opzet en eerste ideeën heeft de onderzoeksgroep op het Veloncongres en op de Onderwijsresearchdagen 2008 presentaties gehouden en er is een pilotonderzoek opgezet. In het onderzoek wordt door middel van een aantal casestudies inzicht verkregen in de mate waarin de opvattingen van jonge kinderen over de inhoud en vormgeving van hun leeromgeving al dan niet beïnvloed worden door de opvattingen van hun leraren en ouder(s)/ verzorger(s) over deze leeromgeving.Doelstelling van het onderzoek is bij te dragen aan het inzicht of en zo ja in welke mate de opvattingen van jonge kinderen t.a.v. de inhoud en vormgeving hun leeromgeving beïnvloed worden door de opvattingen van hun eigen leraar en de opvattingen van hun ouder(s) of verzorger(s).
Het pilotonderzoek is inmiddels succesvol afgerond. Het resulteerde in een verslag en een presentatie op het internationale congres EECERA begin september te Stavanger, Noorwegen (Tertoolen, Geldens, Popeijus & Oers, 2008). De voorlopige onderzoeksplan is dan ook definitief geworden en zal resulteren in een promotieonderzoek. De begeleiding van het onderzoek gebeurt in samenwerking tussen het Kempellectoraat en de Vrije Universiteit te Amsterdam. De associate lector fungeert als dagelijkse begeleider. Promotor is prof. dr. Bert van Oers. De lector van het Kempellectoraat Leren in leerwerkgemeenschappen en de voorzitter van het Onderzoekscentrum zijn co-promotores.
8. Samen talent opleidenHet diepteproject ‘Samen talent opleiden’ omvat een masteronderzoek in partnerschap met de Universiteit Utrecht. Het onderzoek wordt uitgevoerd door Kuintje de Wit, masterstudent van de Universiteit Utrecht en onderzoeker in opleiding. Als zodanig maakt ze tevens deel uit van de kern-kenniskring. Het project dient naast een artikel of thesis als product, ten minste te resulteren enerzijds in inzicht op vragen als ‘wat is talent (tegen de achtergrond van leren onderwijzen)?’ en ‘aan wat voor opleidingsaanbod hebben talentvolle aanstaande leraren behoefte?’. Anderzijds dient het achtergrond en bouwstenen te leveren op basis waarvan het centrale lectoraatsthema voor de komende drie jaar kan worden uitgewerkt.Projectleider is de voorzitter van het Onderzoekscentrum.
9. Betekenisvol leren in tutorgroepenIn 2006 en 2007 is een diepteproject ‘Verleiden tot leren’ uitgevoerd dat was gericht op de K2- en K3-fase van de opleiding. Uit dit onderzoek kwamen onder meer sleutelfactoren naar voren die het succes van een tutorgroep bepalen. De onderzoeksbevindingen gaven aanleiding om een vervolganalyse uit te voeren. Gebleken is dat bepaalde elementen van betekenisvolle activiteiten binnen zowel als tussen de verschillende tutorgroepen in verschillende mate aanwezig zijn. Door die verschillen nader uit te zoeken was het mogelijk de hogeschool concrete aanknopingspunten te bieden voor verbetering van het betekenisvol leren in tutorgroepen.
Docent-onderzoeker en projectleider van ‘Samen leraar worden’, Marcel Lemmen, is dit schooljaar samen met de tutoren bezig met de implementatie van de onderzoeksresultaten in de werkzaamheden van de tutorgroepen K2- en K3-fase van de opleiding.In de P- en K1/K2-fase van de opleiding zijn de onderzoeksresultaten aan faseteam 1 en de tutoren gepresenteerd. Hieruit kwam de vraag naar voren om ook in deze fase van de opleiding onderzoek te doen naar betekenisvol leren in tutorgroepen om vervolgens ook de consequenties van de onderzoeksresultaten te bepalen en samen acties te formuleren voor dit schooljaar in deze fase. Het project ‘verleiden tot leren’ is dan ook verbreed naar de gehele opleiding onder de naam ‘betekenisvol leren in tutorgroepen’. Projectleider is de voorzitter van het Onderzoekscentrum.
10. Van sturing naar zelfsturing Het Kempellectoraat streeft ernaar aan het einde van studiejaar 2008-2009 een conceptueel kader op te leveren voor het leren en werken in leerwerkgemeenschappen. Vanuit COO wordt gewerkt aan een soortgelijk document voor het leren en leren onderwijzen in tutorgroepen (waarbij een tutorgroep wordt gezien als een leerwerkgemeenschap). Omdat een van de COO-leden tevens lid en projectleider is van de kern-kenniskring van het Kempellectoraat ligt het voor de hand elkaar zoveel als mogelijk in beide projecten te ondersteunen. De projectleider draagt hiervoor de verantwoordelijkheid. Een onderzoeker in opleiding maakt binnen haar stage een eerste opzet voor praktijkvoorbeelden ten behoeve van het (algemene) conceptuele kader. Momenteel richt ze zich op de concepten die (in beschikbare documenten) worden ontleend aan het leren in leerwerkgemeenschappen. Vervolgstap is dat de onderzoeker in opleiding ook nagaat in welke mate de concepten daadwerkelijk in praktijk worden gebracht. Het spreekt voor zich dat ze in de relatief beperkte stagetijd niet het volledige conceptuele kader kan ‘vullen'. Hier ligt daarom een vervolg voor de andere onderzoeker in opleiding die later zal toetreden tot de kern-kenniskring. Het thema ‘van sturing naar zelfsturing’ kan daarbij leidend zijn. Zij zal dit invullen door na te gaan wat er beschreven wordt (in de beschikbare Kempeldocumenten) over sturing en zelfsturing. Vervolgens zal ze (onder meer door het houden van interviews) nagaan in hoeverre hetgeen beschreven is daadwerkelijk wordt gerealiseerd in de praktijk.Bovenstaande is uiteraard een eerst opzet. Deze uitwerking krijgt concrete vorm in een onderzoeksplan wanneer de stages zijn gestart en de onderzoekers in opleiding in contact met sleutelpersonen binnen De Kempel de precieze vragen kunnen achterhalen. Een van beide onderzoekers in opleiding zal zich hoogstwaarschijnlijk gaan richten op de studeerbaarheid van het programma van De Kempel. De focus zal komen te liggen op het benoemen van factoren die het verschil duiden tussen aanstaande leraren die binnen de geplande onderwijstijd voldoen aan de gestelde eisen aan de ene kant en aanstaande leraren die niet kunnen voldoen aan de eisen binnen de gestelde tijd aan de andere kant. Zij zal zich in het onderzoek richten op de K2 en K3-studenten.Het lijkt wenselijk dat een soortgelijk onderzoek wordt uitgevoerd voor de P- en K1-aanstaande leraren zodat we een totaalbeeld krijgen van de studeerbaarheid in de opleiding.Beide onderzoekers in opleiding die ook hun stage op de hogeschool lopen kunnen op deze wijze optimaal profiteren van elkaars inspanningen (in feite vormen ze een mini-leerwerkgemeenschap).Projectleider is de lector van het Kempellectoraat 'Leren in leerwerkgemeenschappen'.
11. De studeerbaarheid van de opleiding gerelateerd aan de wijze van toetsen Bij competentiegericht opleiden rijzen ‘als vanzelf’ vragen die betrekking hebben op de ‘studeerbaarheid’ en de mogelijkheden en de mate van ‘differentiatie’ binnen de opleiding. Beide staan in direct verband met ‘talentontwikkeling’ en de ‘afstemming’ op de mogelijkheden en behoeften van de aanstaande leraren binnen de kaders en eisen die voortvloeien uit de landelijk vastgestelde bekwaamheidseisen voor leraren primair onderwijs. Dergelijke vragen hebben bovendien een directe relatie met ‘selectie, toetsing en studiebelasting’. Zo rijzen verschillende vragen:- Welke invloed heeft de op De Kempel gebruikelijke manier van toetsen op de studeerbaarheid door de opleiding heen?- De Kempel werkt met een onderwijsaanbod in ‘fasen’. Zijn op dit punt verschillen tussen de fasen herkenbaar? - Zijn er kenmerken of elementen uit die fasen waar De Kempel directe invloed op kan uitoefenen voor het wegwerken van achterstanden, bijvoorbeeld met behulp van het werken in tutorgroepen? - Is het aantal studiebelastingsuren in de verschillende fasen correct ingeschat?- Welke invloed heeft de gebruikelijke manier van toetsen (eventueel nog uitsplitsen naar de verschillende fasen in de opleiding) op de studeerbaarheid? - Zijn er en zo ja welke, persoonskenmerken van aanstaande leraren zijn van belang in relatie tot studeerbaarheid? Wat verstaan we onder persoonskenmerken?Projectleider is de voorzitter van het Onderzoekscentrum.
Afgesloten projecten
1. Samen opleidenHet diepteproject ‘Samen opleiden’ omvatte een doctoraalonderzoek naar elementen van samenwerkingsafspraken tussen de drie bij het leren onderwijzen betrokken partners, de hogeschool, de basisschool en de aanstaande leraren. Aan het einde van het schooljaar 2005-2006 is dit project bijzonder succesvol beëindigd. Het was opgezet als een co-project waarin de opleiding Onderwijskunde van de Rijksuniversiteit Utrecht, het Kempellectoraat en het Onderzoekscentrum ILS van de Radbouduniversiteit participeerden. De onderzoeker, dr.ing. Herman E. Popeijus, heeft daarbij het mastertraject Onderwijskunde cum laude afgesloten. De projectleiding lag in handen van dr. J.J.M. Geldens.
Het onderzoek had een dubbele focus. Enerzijds was het gericht op ‘elementen van leren samenwerken in de professionele ontwikkeling van aanstaande leraren’ (SBL competentie 5). Anderzijds was het gericht op het belang van samenwerkingsafspraken over deze elementen in de begeleiding van aanstaande leraren. Dit onderzoek werd uitgevoerd in het kader van de convenantsafspraken van de hogeschool met de schoolbesturen in haar werkveld.
Overeenkomstig de doelstelling resulteerde dit onderzoek enerzijds in wetenschappelijke inzichten over díe elementen van begeleiding, inzet en (leren) samenwerken waarvan de scholen, de hogeschool én de aanstaande leraren aangeven het belangrijk te vinden daarover met elkaar afspraken vast te leggen. Voor de praktijk resulteerde het in een raamwerk van elementen voor stage en begeleiding waarover de scholen, de hogeschool én de aanstaande leraren met elkaar afspraken kunnen vastleggen.
Over de resultaten zijn presentaties gehouden binnen de Hogeschool en tijdens het Veloncongres en de Onderwijsresearchdagen. Verder zijn over de resultaten verschillende publicaties verschenen waaronder een Onderzoeksrapport en een artikel in het Velontijdschrift. Deze laatste publicatie verkreeg de derde prijs voor het beste artikel in het Velontijdschrift uit 2006.
2. Class serverDit breedteproject draagt de titel ‘Class server als hulpmiddel voor tijd- en plaatsonafhankelijk leren’. Door ontwerpgericht ontwikkelingsbegeleidend onderzoek wordt sinds 2005 gestreefd een drietal scholen te helpen om de kwaliteit van deze onderwijsontwikkeling te borgen. Op twee van de drie scholen is het project succesvol afgesloten in 2006/2007. In 2007-2008 rondde ook de derde deelnemende basisschool het project met succes af. De scholen implementeren de verworven resultaten nu verder zelf in hun onderwijs. Het programma Class-server wordt tijdens het onderwijs ingezet als elektronische leerwerkomgeving. Naast de gebruikelijke onderwijspartners participeren ook deelnemers uit de bedrijfsmatige educatieve sector in het project. Projectleider was drs. F.J.L. Coenders.
De projectleider is vanaf augustus 2006 voorzitter van Faseteam 1 van de Hogeschool. Hij begeleidde voor de projectscholen nog wel het project, maar kon vrijwel geen onderzoeksactiviteiten initiëren en uitvoeren vanuit de kernkenniskring. Een vierdejaars aanstaande leraar van Hogeschool de Kempel, Vera Kuipers, heeft toen het initiatief genomen om in 2006-2007 op een van de scholen dit project voort te zetten in het kader van haar vrije minor.
Vanuit het Kempellectoraat heeft zij daarbij begeleiding gekregen van Linda Romviel, onderzoeker in opleiding en doctoraalstudent van de Radbouduniversiteit. Vera heeft haar eigen leerroute gearrangeerd in aansluiting op de vraag van de Hogeschool en de stageschool.
Op verschillende manieren heeft Vera de opgedane kennis over de voortgang van het ontwikkelingstraject gedeeld met anderen. Onder meer verzorgde ze Powerpoint presentaties op de stageschool en de hogeschool. Ook nam ze deel aan een congres over ICT en didactiek. Medio juni 2007 is van haar hand onder begeleiding van de lector, een eindverslag (scriptie) verschenen waarin ze de onderwijsontwikkeling beschrijft, gerelateerd aan de door haar toegepaste uitgangspunten van de ROTOR-cyclus (Geldens & Popeijus, 2007a). Deze cyclus heeft ze het hele schooljaar gebruikt als denk-, handelings- en onderzoeksmodel voor het uitvoeren van dit project. Tijdens de diplomeringszitting in 2007 kreeg Vera, uit tien genomineerden, voor haar aanpak en verslag de eerste prijs van het Inspecteur Hermansfonds uitgereikt.
3. Kennisconstructie en kennisdisseminatie vanuit het lectoraatHet diepteproject ‘Kennisconstructie en kennisdisseminatie’ maakte als co-project deel uit van een groter onderzoek vanuit de Universiteit Twente naar 'Kennisconstructie en kennisdisseminatie binnen samenwerkingsverbanden in het Nederlandse onderwijsveld'. Voor het Kempellectoraat omvatte het een evaluatief onderzoek van het lectoraat als leerwerk- en kennisgemeenschap en als kennispartner. Door de benoeming van beide projectleiders van de Universiteit Twente tot Lector van de HAN respectievelijk hoogleraar-directeur van het ILS van de Radbouduniversiteit werd de voortgang van dit project is onzeker en is uiteindelijk besloten het project in de bovenbeschreven vorm af te ronden. Kennisconstructie en kennisdisseminatie blijven natuurlijk een kerntaak voor het lectoraat.In het onderzoek zou ook de door het Lectoraat gekozen structuur met enkele kern-, project- en schoolkenniskringen aan de orde komen. Evenals de uitwerking van de verschillende modellen en kaders die binnen het Kempellectoraat een plaats hebben of worden ontwikkeld, zoals het besluit-interventie-doelstellingen of BID-model (Popeijus, 2003) en het binnen het Kempellectoraat ontwikkelde ROTOR onderzoeksmodel. Daarom is in het kader van de verdere uitwerking van de gekozen vormgeving van het Lectoraat besloten de doelstelling, inhoud en vormgeving voor te leggen aan verschillende hoogleraren en andere deskundige externen. Tevens zijn de doelstelling, inhoud en vormgeving van het Lectoraat gepresenteerd aan het wetenschappelijk forum tijdens de Onderwijsresearchdagen 2006 (Geldens & Popeijus, 2006a) en later aan het praktijkforum tijdens het Veloncongres 2007 (Berg, 2007; Popeijus & Geldens, 2007a). Op basis van de ontvangen reacties is besloten de voor het lectoraat gekozen vormgeving ongewijzigd te handhaven. Verder is het ROTOR-model niet meer primair beschouwd als onderzoeksmodel, maar als denk- en handelingsmodel voor ontwikkelingsbegeleidend onderzoek waarbij de inhoudelijke vragen per fase tevens zijn aangescherpt. Het ROTOR-model (Geldens & Popeijus, 2008) is vanaf de vijfde druk, definitief geworden en leidend voor ontwikkelingen die op of vanuit de Hogeschool worden begeleid door onderzoek. Voor dit project en de ervan afgeleide deelaspecten, was dr. J. Geldens projectleider.
4. Leren en leren onderwijzen met ICTIn het kader van haar doctoraalstage en -onderzoek vanuit de opleiding Onderwijskunde van de Radbouduniversiteit, participeerde in 2006-2007 Linda Romviel onder meer in het eerdergenoemde project Class Server. Tegelijkertijd voerde ze een empirisch (vragenlijst)onderzoek uit naar ‘Leren en leren onderwijzen met ICT’, ten behoeve van een ICT-beleidsplan voor de lerarenopleiding basisonderwijs. De voornaamste aanbeveling naar aanleiding van de onderzoeksresultaten is in het beleidskader van de lerarenopleiding de visie op ICT nadrukkelijk te relateren aan de visie op betekenisvol leren en leren onderwijzen in leerwerkgemeenschappen. Het is dan vervolgens mogelijk daar concrete uitgangspunten en doelstellingen voor het curriculum uit af te leiden. De stage werd ‘met lof’ afgerond.
5. Digitale kennisobjectenOp basis van een onderzoeksplan voerde Linda Romviel naast haar stage ook haar masteronderzoek uit op de hogeschool. Dit diepte onderzoek ging over het gebruik van ‘digitale kennisobjecten’ in de lerarenopleiding. Haar project-ontwerp volgde de PROO/NWO-richtlijnen. De resultaten van het project leverden kennis op te leveren die heeft bijgedragen aan het conceptueel kader voor het ‘leren en leren onderwijzen in leerwerkgemeenschappen’. Als onderzoeker in opleiding maakte Linda deel uit van de kern-kenniskring. Dr.mr. H.L. Popeijus was projectleider.
6. Verleiden tot lerenIn 2006 en 2007 heeft het diepteproject ‘Verleiden tot leren’ plaatsgevonden. Dit omvatte een masteronderzoek in partnerschap met de Vrije Universiteit Amsterdam naar betekenisvolle leeractiviteiten binnen de sinds 2006 ingerichte tutorgroepen op de Hogeschool. Het onderzoek werd uitgevoerd door Caroline Reiling, onderzoeker in opleiding. Voor dit onderzoek was een onderzoeksplan opgesteld dat de PROO/NWO-richtlijnen volgde.De instrumentatie voor dit onderzoek begin 2007 leidde tot een vragenlijst voor K2 en K3 aanstaande leraren en hun tutoren die voor de zomervakantie is afgenomen. Het onderzoek is eind 2007 succesvol afgerond.
De resultaten van het onderzoek leverden wetenschappelijke zowel als praktijkgerichte kennis op over het functioneren van tutorgroepen voor het betekenisvol leren en leren onderwijzen van aanstaande leraren basisonderwijs. Projectleider was dr. J. Geldens.