Skip Navigation Links

Projecten

Prestatie-indicatoren.

Het Kempelonderzoekscentrum (KOC) werkt op basis van het Kempelonderzoeksplan, projectmatig en op basis van smart omschreven prestatie-indicatoren ingekaderd door de beleidskaders voor onderzoek.

 

Breedte- en diepteprojecten.

Om structuur aan te brengen in de projecten onderscheiden we breedte- en diepteprojecten. 
Bij de breedteprojecten zijn onderwijsontwikkeling en ontwikkelingsbegeleidend onderzoek geïntegreerd. De deelnemers uit de verschillende actorgroepen zijn zowel ontwikkelaar als onderzoeker. Zo’n project kent steeds één of meer eigen school- of projectkenniskringen. Daarin zitten altijd aanstaande leraren naast leraren van de partnerscholen en vaak ook anderen zoals de onderwijsbegeleider. De kenniskring heeft tot taak de kansen en belemmeringen van de beoogde onderwijsontwikkeling door praktijkonderzoek na te gaan en de kennis die ze uit dat onderzoek verkrijgen, te delen met de achterban en extern. Dergelijk praktijkonderzoek wordt ook wel aangeduid als actie-onderzoek.
Bij de diepteprojecten is het ontwikkelingsbegeleidende onderzoek ‘geobjectiveerd’ van de onderwijsontwikkeling. De onderzoeker is zelf geen deelnemer aan de onderzochte onderwijsontwikkeling. De focus is dan primair gericht op wetenschappelijk inzichten met herkenbare spin off voor de praktijk. Bij de breedteprojecten is deze focus omgekeerd.

 

Binnen elk projectonderwerp gaat onderwijsontwikkeling en onderwijsonderzoek hand in hand. De onderwerpen sluiten steeds aan of bouwen voort op onderwijsontwikkelingen op De Kempel en in het werkveld.

 

Lopende projecten


 

1. Aansluiting HBO-WO, partnerschappen.

De aansluiting HBO-WO omvat een doorlopend project waarin kennispartnerschappen een belangrijke rol spelen. De Hogeschool streeft ernaar in een win-win situatie promotie-, onderzoeks- of stageplaatsen aan te bieden aan universitaire of post-HBO studenten. Het algehele doel van dit diepteproject is de win-win situatie voor alle partners; het gaat om professionaliseren; leren van en met elkaar. De doelen en opbrengsten van de stages en onderzoeken zijn uiteenlopend en zorgen altijd voor een win-win situatie.

Ten behoeve van dit project hebben de voorzitter van het KOC en de Lector Leren in leerwerkgemeenschappen afspraken gemaakt met hoogleraren van de universiteiten voor het bieden van dergelijke plaatsen. Tevens zijn afspraken gemaakt over de begeleiding van promotie- en doctoraal in casu masteronderzoek. De mogelijkheid om stage en onderzoek op de Hogeschool De Kempel uit te voeren is in het kader van deze samenwerkingsafspraken opgenomen in de studiebrochures van de betreffende universiteiten (Popeijus, 2008).

De afgelopen jaren hebben een toenemende vraag naar stage- en onderzoek op en vanuit de hogeschool en naar samenwerking op dit gebied te zien gegeven. Om deze vraag te reguleren en de kwaliteit te borgen van stage en onderzoek op en vanuit de Hogeschool, zijn vanaf 27 mei 2008 door het CvB, de voorzitter KOC en de Lector Leren in leerwerkgemeenschappen ‘Beleidskaders voor onderzoek op en vanuit Hogeschool de Kempel’ vastgesteld (zie Beleidskaders voor onderzoek).

 

Het Onderzoekscentrum is verantwoordelijk voor de algemene onderzoeksopdracht die primair is gericht op het leren onderwijzen en opleiden op de lerarenopleiding zelf. Die opdracht omvat jaarlijks een of meer onderzoeken doorgaans van kortere duur waarbij de onderzoeker doorgaans geen deel uitmaakt van de te onderzoeken onderwijsontwikkeling (de zogenaamde diepteprojecten). Hiertoe zijn in het bijzonder de master- en promotieonderzoeken te rekenen. Het Onderzoekscentrum herbergt ook een of meer Kempellectoraten. Die houden zich voornamelijk bezig met onderzoek in breedteprojecten. Dit zijn projecten binnen een specifieke onderzoeksopdracht zoals ‘Eigentijds toetsen en beoordelen’ of ‘Leren in leerwerkgemeenschappen’, waarin leraren van partnerscholen en altijd ook aanstaande leraren van de opleiding participeren.

 

Vanaf eind 2007 is een promotieonderzoek (diepteproject) ‘Op zoek naar de stem van het jonge kind’ gestart door drs. A. Tertoolen, Educatieve Federatie Interactum te Utrecht (zie project 5).

In juli 2010 is een Samenwerkingsdocument ondertekend door het bestuur van de Hogeschool en de Technische Universiteit Eindhoven / ESOE voor verdergaande samenwerking op het gebied van onderzoek en professionalisering binnen de lerarenopleidingen. Concreet resultaat van deze samenwerking zijn twee promotieonderzoeken (diepteprojecten). Voor het eerste promotieonderzoek is het onderzoeksplan inmiddels opgesteld en goedgekeurd (zie project 6). Voor het tweede onderzoek wordt vanaf het najaar 2010 het onderzoeksplan uitgewerkt (zie project 4).

 

Ook voor het Kempellectoraat ‘Eigentijds toetsen en beoordelen’ is een promotietraject voorzien. Dit zal worden uitgevoerd in samenwerking met de Universiteit Maastricht, de Open Universiteit en het KPC.

 

2. Curriculumgerelateerde ontwikkelingen

  • Dit project omvat op aanvraag bijdragen aan de algehele curriculumontwikkeling van Hogeschool de Kempel.
    In 2010-2011 wordt in overleg met een oio / masterkandidaat een keuze gemaakt uit een drietal onderzoeksonderwerpen (zie informatiebrochure).
    1. Gebruik van studieroutes en kennisobjecten door studenten en docenten. H. Douma draagt, onder begeleiding van de voorzitter KOC en in samenwerking met de teamleiders, zorg voor de opzet, het ontwerp op basis van de ROTOR, de uitvoering de analyse en de verslaglegging van dit onderzoek. Dit onderzoek maakt onderdeel uit van de analyse van kwaliteit en kwantiteit van gebruik van (hbo-waardige) bronnen. 
    2. P-fase zoeken naar criteria om studenten al dan niet te laten doorgaan met de opleiding.
    3. Een verdergaand onderzoek naar de studiewijze van onze vrouwelijke respectievelijk mannelijke studenten. Voor het opzetten en uitvoeren van tweede en/of derde onderzoek, wordt gezocht naar een geschikte oio / masterkandidaat en/of een Kempelcollega die dit in het kader van een studie, Velonregistratie of anderszins kan oppakken.
  • In verband met eigenaarschap van de onderzoeksonderwerpen en de implementatie van de onderzoeksresultaten in beleid en handelen van de Hogeschool zal het vanaf 2007 in gang gezette structurele overleg met de manager initiële opleiding worden geïntensiveerd. Na de verandering in de managementstructuren is dit overleg vanaf 2009 aangevuld met structureel overleg met het Management Initiële Opleiding (MOI). Tevens nemen de voorzitter van het KOC en de lector deel aan het sleuteloverleg en het Managementoverleg (MO).
  • In 2007 is vanuit Interactumverband de vraag ontvangen bij te dragen aan de uitwerking van een HBO-mastertraject Leren en Innoveren. De voorzitter KOC treedt op als mede-ontwikkelaar en kerndocent en de lector als expertdocent.
  • De projectleiding van de landelijke Kennisbasis van Lerarenopleiders heeft het KOC verzocht een bijdrage te leveren voor de website 'Kennisbasis van lerarenopleiders'. Dit is een gezamenlijk project van Velon en het Onderwijscentrum VU, dat wordt gesubsidieerd in het kader van 'Krachtig Meesterschap'. De voorzitter KOC heeft met de Velonvoorzitter, prof. dr. Theo Bergen, een artikel geschreven. Voor een tweede artikel zijn fragmenten ontleend aan Pauw, Geldens, Geerdink (2008), The power of three: drie doctores vertellen hun verhaal. Tijdschrift voor Lerarenopleiders (1), 31-35.

3. Gebruik onderzoekslijn en professionele onderzoekstaal

Dit project is gerelateerd aan project 2 ‘Curriculumgerelateerde ontwikkelingen’ en richt zich specifiek op onderzoek in de opleiding.

 

Gebruik onderzoekslijn

Het project omvat bijdragen aan het ontwikkelen van onderzoeksvaardigheden voor (excellerende) aanstaande leraren en voor diegenen die door willen studeren aan de Universiteit. Daarmee is dit project tevens gerelateerd aan het project ‘Aansluiting HBO-WO’. Vanaf 2007 is door de lector-voorzitter KOC, tijd vrijgemaakt voor bijdragen aan een ‘doorgaande onderzoekslijn’ voor de lerarenopleiding.

‘De leraar als onderzoeker’ is een verkennend onderzoek dat in 2010 heeft plaats gevonden naar welke ervaring de leraar basisonderwijs en de opleidingsdocent hebben als onderzoeker en wat diens opvattingen daarover zijn.

 

Professionele onderzoekstaal in de lerarenopleiding.

Met dit WO-masteronderzoek wordt beoogd inzicht te krijgen in onderzoekscompetenties voor (aanstaande) leraren basisonderwijs en de professionele taal die aanstaande leraren moeten verwerven om een onderzoekende leraar te worden. De aard van de mogelijke discrepantie tussen de wenselijke professionele onderzoekstaal van aanstaande leraren volgens docenten en sleutelpersonen en de feitelijke professionele onderzoekstaal van aanstaande leraren is in kaart gebracht. De resultaten kunnen gebruikt worden om verbeteringen voor te kunnen stellen ten aanzien van onderwijs over en begeleiding van onderzoek binnen het curriculum van de lerarenopleiding basisonderwijs.

Het masteronderzoek is uitgevoerd door Kempelcollega Sara Diederen. Op 22 oktober 2010 heeft de diploma-uitreiking van de masterbul plaatsgevonden op de Open Universiteit te Heerlen. Er heeft onder meer een teampresentatie plaatsgevonden van de onderzoeksresultaten, er is een artikel verschenen in Veerkracht en op de ORD 2011 zal eveneens een presentatie plaatsvinden van de onderzoeksresultaten.

 

4. Leraren als change agent

Voor dit promotieonderzoek wordt vanaf het najaar 2010 het onderzoeksplan uitgewerkt. De voorlopige centrale vraag van dit promotieonderzoek is: hoe benutten leraren de professionele ruimte om aan deze verantwoordelijkheid gestalte te geven en hoe worden aanstaande leraren voorbereid om aan deze professionele ruimte inhoud en te vorm te (kunnen) geven?

Verwacht wordt dat leraren de professionele ruimte optimaal kunnen benutten als zij zich opstellen en functioneren als change agents. In de literatuur worden verschillende beschrijvingen van een change agent aangetroffen, echter een consistent beeld van de leraar als change agent ontbreekt.

Het doel van dit onderzoek is enerzijds het verhelderen en vormen van een consistent beeld van de leraar als change agent en anderzijds het inventariseren van belemmerende en bevorderende factoren voor het functioneren van de leraar als change agent, beide vanuit het perspectief van de basisschool en de lerarenopleiding basisonderwijs. We veronderstellen dat er binnen het functioneren van de leraar als change agent een onderscheid kan worden gemaakt tussen aanstaande leraren, beginnende leraren en ervaren leraren.

De probleemstelling valt uiteen in de volgende onderzoeksvragen:

1.  Wat zijn belangrijke kenmerken van een leraar als change agent zoals gepercipieerd door (aanstaande) leraren?

2.  In hoeverre typeren (aanstaande) leraren zichzelf als change agent en hoe is deze typering gerelateerd aan kenmerken van hun professionele zelfbeeld?

3.  Wat zijn belemmerende en bevorderende factoren bij het functioneren van de (aanstaande) leraar als change agent?

4.  Hoe verhouden zich de antwoorden op vraag 1 tot en met 3 tot het feitelijk functioneren in de praktijk?

 

Promovenda van dit onderzoek is Kempelcollega Monique van der Heijden, promotor prof. dr. Douwe Beijaard ESoE, copromotoren dr. Jeannette Geldens en dr. mr. Herman Popeijus.

 

5. De stem van het jonge kind

Vanaf eind 2007 is een promotieonderzoek ‘Op zoek naar de stem van het jonge kind’ gestart door drs. A. Tertoolen van de Educatieve Federatie Interactum te Utrecht. In dit diepteproject wordt onderzocht of het mogelijk is verantwoord conclusies te trekken over de kwaliteit van het onderwijs op grond van wat jonge kinderen daarover vertellen. Het onderzoek gaat over de samenhang tussen de betekenisverlening van jonge leerlingen en de betekenisverlening van hun leraren en hun ouders/verzorgers. Het belang daarvan voor (aanstaande) leraren basisonderwijs is evident.

De begeleiding van het onderzoek gebeurt in samenwerking tussen het Kempelonderzoekscentrum, het Kempellectoraat Leren in leerwerkgemeenschappen en de Vrije Universiteit te Amsterdam. De promotiegroep bestaat uit prof. dr. Bert van Oers van de Vrije Universiteit Amsterdam als promotor en copromotoren dr. Jeannette Geldens en dr. mr. Herman Popeijus.

 

6. Van excellente student tot excellente leraar. De ontwikkeling van het leerpatroon van studenten die kiezen voor een academisch opleidingstraject tot leraar basisonderwijs in relatie tot de inrichting van de leeromgeving

Sinds 2008 bestaat er op veel hogescholen de mogelijkheid een academisch opleidingstraject tot leraar basisonderwijs te volgen. Er is nog geen kennis over het leren van studenten in dergelijke opleidingstrajecten.

Dit promotieonderzoek is gericht op het verkrijgen van inzicht in het leren van studenten die kiezen voor een academisch opleidingstraject tot leraar basisonderwijs en in kritische factoren met betrekking tot het inrichten van de leeromgeving voor een dergelijk opleidingstraject om betekenisgericht leren van studenten te faciliteren en stimuleren. Het onderzoeksplan is inmiddels opgesteld en goedgekeurd.

Het onderzoek bestaat uit vier deelstudies. De eerste deelstudie mondt uit in een profiel van studenten die kiezen voor een academisch opleidingstraject tot leraar basisonderwijs. Tijdens de tweede deelstudie staat de vraag centraal hoe het leerpatroon van studenten die kiezen voor een academisch opleidingstraject tot leraar basisonderwijs zich ontwikkelt tijdens het eerste jaar van hun studie. De derde deelstudie levert een beschrijving van de leeromgeving in drie academische opleidingstrajecten tot leraar basisonderwijs op. Tijdens de laatste deelstudie beantwoorden we de vraag welke factoren in de leeromgeving betekenisgericht leren van de student binnen een academisch opleidingstraject tot leraar basisonderwijs ondersteunen.

 

Promovenda van dit onderzoek is Marnixcollega Stella van der Wal-Maris, promotor prof. dr. Douwe Beijaard ESoE en copromotor dr. Jeannette Geldens.

 

7. Kenmerken van werkplekleeromgevingen
Dit project is gebaseerd op een eerder uitgevoerd diepteproject dat een promotieonderzoek omvatte. Dit inmiddels afgeronde onderzoek is uitgevoerd door lector, dr. Jeannette Geldens. Binnen het lectoraatsthema was het opgenomen als een co-project waarbij de Hogeschool samenwerkt met het Onderzoekscentrum van het Instituut voor Leraar en School (ILS) van de Radboud Universiteit Nijmegen. Het onderwerp sloot aan bij het onderzoeksprogramma ‘de professionele ontwikkeling van leraren’ van het ILS. Op 8 oktober 2007 is de onderzoeker op dit project gepromoveerd (Geldens, 2007).
De oorspronkelijke doelstelling van het project blijft gehandhaafd. Deze behelst het leveren van bijdragen aan de wetenschappelijke kennis van de elementen, kenmerken en componenten die een werkplekleeromgeving constitueren voor de praktijk ook inzicht te krijgen in de kwaliteit van begeleidings­elementen binnen een werkplekleeromgeving. De focus komt daarbij te liggen op kwaliteitselementen en kenmerken van ‘samen betekenisvol en ontwikkelingsgericht opleiden’.
Het oorspronkelijke project resulteerde in een analytisch kader dat mogelijkheden biedt om in de praktijk de kenmerken en kwaliteiten van een werkplekleeromgeving te beschrijven en te analyseren. De toepassingsmogelijkheden zijn dusdanig van belang voor het opleidingsonderwijs dat dit kader op verschillende plaatsen en door verschillende groepen is overgenomen en verder wordt onderzocht. In samenwerking met externe ontwikkelaars en onderzoekers is nagegaan hoe de criteria te benutten voor kwaliteitszelfevaluatie (ZEK-onderzoek) en voor certificering van zogenaamde Opleidingscholen. Voor dit laatste werkt de lector nauw samen binnen andere projecten vanuit het Kempellectoraat (project ‘Samen leraar worden’) en vanuit de Hogeschool (project ‘Samen opleiden’). Het kwaliteitskader evenals de indeling in drie scenario's blijkt landelijk op diverse manieren de basis te vormen voor de opbouw van kwaliteitszorgsystemen voor 'opleiden in de school' in casu voor 'samen opleiden'.

 

Gezien deze ontwikkelingen is besloten om dit project vooralsnog tot 2011 voort te zetten in het kader van kennisdisseminatie en -implementatie.
Uit de praktijk blijft de vraag om een meer toepassingsgerichte versie uit te werken. Dit is in ruimere zin inmiddels gebeurd. In november 2009 is tijdens een symposium 'betekenisvol leren onderwijzen', de presentatie van een praktijkboek waarin een tiental aan betekenisvol leren onderwijzen gerelateerde onderwerpen an de orde komt.
In samenspraak met de projectleider en de onderzoeker zijn verder boekbesprekingen verzorgd door twee externe auteurs voor het Velontijdschrift en voor Pedagogische Studiën. Beide besprekingen zijn aan deze tijdschriften inmiddels aangeboden en geaccepteerd.
Tevens vindt op de praktijkgerichte kennisdisseminatie van de onderzoeksresultaten plaats op basis van artikelen in tijdschriften zoals Didaktief en Praxisbulletin.

Ten slotte worden de uit het onderzoek verkregen gegevens en resultaten binnen de hogeschool verwerkt. Onder meer in het ‘Conceptueel kader leren in leerwerkgemeenschappen’. Ook zijn de uitwerkingen van de drie onderscheiden scenario’s richtinggevend voor de indeling van en contacten met stage/partnerscholen. Daarbij worden door de onderzoeker gevonden kwaliteitskenmerken gerelateerd aan de drie scenario’s voor partnerschap in opleiden.

 

De lector dr. mr. Herman L. Popeijus is projectleider zowel vanuit het Kempellectoraat van de Hogeschool als vanuit het ILS van de Radbouduniversiteit. Het in 2003 over de (eerste) resultaten van dit onderzoek gepubliceerde artikel, verkreeg de eerste prijs voor het beste artikel in het Velontijdschrift van dat jaar.

 

8 Leerwerkgemeenschap als middel voor onderwijsontwikkeling (breedteproject van het Kempellectoraat ‘Leren in leerwerkgemeenschappen’)
Dit project is een zesjarig breedteproject. Het startte op basis van een projectplan ‘Realisatie van leerwerkgemeenschappen’ in studiejaar 2005-2006 en vanaf 2008-2009 is het project voortgezet onder de titel ‘De leerwerkgemeenschap als middel voor onderwijsontwikkeling’.

Aan het einde van 2007-2008 is het project voor één van beide deelnemende scholen afgerond. Hierdoor ontstond ruimte voor een andere school van hetzelfde bestuur ‘Zicht Primair Onderwijs’ (voor sept. 2010 Novem geheten) om aan het project deel te nemen. Wat betreft de opbrengsten is begin 2008 een tussentijds verslag over de onderzoeksresultaten van ‘Twee jaar realisatie leerwerkgemeenschappen’ verschenen. Naast de beide deelnemende scholen gaven twee andere scholen van het bestuur aan in het project te willen participeren.

Doordat tevens ruimte ontstond voor adequate begeleiding, konden met ingang van 2008-2009 vier scholen van Zicht aan het project deelnemen. Er zijn afzonderlijke projectplannen voor elke partnerschool (zie als voorbeeld het projectplan van de Michaelschool). Een onderzoeksverslag ter afronding van dit project is voorzien voor medio 2011.

De gemeenschappelijke doelstelling voor 2009-2011 is het stimuleren en onderzoeken van de inzet van leerwerkgemeenschappen bij onderwijsontwikkelingen. Tevens wordt onderzocht wat de bijdrage is van de toepassing van de ROTOR-cyclus (zie als voorbeeld het projectplan van de Michaelschool). Bij het ontwikkelingsbegeleidend onderzoek wordt tevens gekeken welke betekenis de ontwikkelingen op de scholen hebben voor het opleiden van de aanstaande leraren en welke consequenties daaraan zijn te verbinden voor de scholen zowel als voor de hogeschool.

 

In de leerwerkgemeenschappen leren de deelnemers vanuit een gemeenschappelijke ambitie samen over en van het onderwijs en het onderwijzen (Popeijus & Geldens, 2009). Leerwerkgemeenschappen onderscheiden zich afhankelijk van de doelstelling, naar inhoud en vormgeving (waaronder samenstelling). Overlegvormen, gezamenlijk werk voorbereiden, collegiale consultatie, intervisie, school-video-interactiebegeleiding en de hiermee verbonden reflectiegesprekken zijn voorbeelden van vormgeving.

In leerwerkgemeenschappen participeren dan ook leraren, bouwcoördinatoren, directies van de basisscholen en

-altijd ook- aanstaande leraren van Hogeschool de Kempel. De teams zowel als de direct bij het project betrokken aanstaande leraren, werken in schoolkenniskringen samen. Ook deze kenniskringen kunnen we opvatten als leerwerkgemeenschappen. Door middel van ontwerpgericht ontwikkelingsbegeleidend onderzoek, met de ROTOR-cyclus als denk- en handelingsmodel (Geldens & Popeijus, 2008), wordt ernaar gestreefd doelen te bereiken die een bijdrage leveren aan de individuele en onderwijsontwikkeling de kwaliteit ervan te bewaken en te borgen.

 

De projectleider drs. Wil van Venrooij voert samen met docent-onderzoeker drs. Jan Sleegers, dit project van het Kempellectoraat ‘Leren in leerwerkgemeenschappen’ uit.

 

Parallel aan het project loopt een afzonderlijk promotieonderzoek waarin de condities, effecten en het verloop van de schoolverbetering worden onderzocht. Dit onderzoek vindt plaats onder alle scholen van het bestuur en wordt uitgevoerd vanuit het SCO-Kohnstamm Instituut door drs. Erik Thoonen. Dit onderdeel zal vermoedelijk eind 2010 worden afgerond. Voor dat onderdeel is de voorzitter van het Kempelonderzoekscentrum contactpersoon.

 

 

Afgesloten projecten


1. Samen opleiden
Het diepteproject ‘Samen opleiden’ omvatte een doctoraalonderzoek naar elementen van samenwerkings­afspraken tussen de drie bij het leren onderwijzen betrokken partners, de hogeschool, de basisschool en de aanstaande leraren. Aan het einde van het schooljaar 2005-2006 is dit project bijzonder succesvol beëindigd.
Het was opgezet als een co-project waarin de opleiding Onderwijskunde van de Rijksuniversiteit Utrecht, het Kempellectoraat en het Onderzoekscentrum ILS van de Radbouduniversiteit participeerden. De onderzoeker, dr.ing. Herman E. Popeijus, heeft daarbij het mastertraject Onderwijskunde cum laude afgesloten.
De projectleiding lag in handen van dr. J.J.M. Geldens.

 

Het onderzoek had een dubbele focus. Enerzijds was het gericht op ‘elementen van leren samenwerken in de professionele ontwikkeling van aanstaande leraren’ (SBL competentie 5). Anderzijds was het gericht op het belang van samenwerkings­afspraken over deze elementen in de begeleiding van aanstaande leraren. Dit onderzoek werd uitgevoerd in het kader van de convenantsafspraken van de hogeschool met de schoolbesturen in haar werkveld.

 

Overeenkomstig de doelstelling resulteerde dit onderzoek enerzijds in wetenschappelijke inzichten over díe elementen van begeleiding, inzet en (leren) samenwerken waarvan de scholen, de hogeschool én de aanstaande leraren aangeven het belangrijk te vinden daarover met elkaar afspraken vast te leggen. Voor de praktijk resulteerde het in een raamwerk van elementen voor stage en begeleiding waarover de scholen, de hogeschool én de aanstaande leraren met elkaar afspraken kunnen vastleggen.

 

Over de resultaten zijn presentaties gehouden binnen de Hogeschool en tijdens het Veloncongres en de Onderwijsresearchdagen. Verder zijn over de resultaten verschillende publicaties verschenen waaronder een Onderzoeksrapport en een artikel in het Velontijdschrift. Deze laatste publicatie verkreeg de derde prijs voor het beste artikel in het Velontijdschrift uit 2006.

 

2. Class server
Dit breedteproject draagt de titel ‘Class server als hulpmiddel voor tijd- en plaatsonafhankelijk leren’. Door ontwerpgericht ontwikkelings­begeleidend onderzoek wordt sinds 2005 gestreefd een drietal scholen te helpen om de kwaliteit van deze onderwijsontwikkeling te borgen. Op twee van de drie scholen is het project succesvol afgesloten in 2006/2007. In 2007-2008 rondde ook de derde deelnemende basisschool het project met succes af. De scholen implementeren de verworven resultaten nu verder zelf in hun onderwijs.
Het programma Class-server wordt tijdens het onderwijs ingezet als elektronische leerwerkomgeving. Naast de gebruikelijke onderwijspartners participeren ook deelnemers uit de bedrijfsmatige educatieve sector in het project.
Projectleider was drs. F.J.L. Coenders.

 

De projectleider is vanaf augustus 2006 voorzitter van Faseteam 1 van de Hogeschool. Hij begeleidde voor de projectscholen nog wel het project, maar kon vrijwel geen onderzoeksactiviteiten initiëren en uitvoeren vanuit de kernkenniskring.
Een vierdejaars aanstaande leraar van Hogeschool de Kempel, Vera Kuipers, heeft toen het initiatief genomen om in 2006-2007 op een van de scholen dit project voort te zetten in het kader van haar vrije minor.

 

Vanuit het Kempellectoraat heeft zij daarbij begeleiding gekregen van Linda Romviel, onderzoeker in opleiding en doctoraalstudent van de Radbouduniversiteit. Vera heeft haar eigen leerroute gearrangeerd in aansluiting op de vraag van de Hogeschool en de stageschool.

 

Op verschillende manieren heeft Vera de opgedane kennis over de voortgang van het ontwikkelingstraject gedeeld met anderen. Onder meer verzorgde ze Powerpoint presentaties op de stageschool en de hogeschool. Ook nam ze deel aan een congres over ICT en didactiek.
Medio juni 2007 is van haar hand onder begeleiding van de lector, een eindverslag (scriptie) verschenen waarin ze de onderwijs­ontwikkeling beschrijft, gerelateerd aan de door haar toegepaste uitgangspunten van de ROTOR-cyclus (Geldens & Popeijus, 2007a).
Deze cyclus heeft ze het hele schooljaar gebruikt als denk-, handelings- en onderzoeksmodel voor het uitvoeren van dit project. Tijdens de diplomeringszitting in 2007 kreeg Vera, uit tien genomineerden, voor haar aanpak en verslag de eerste prijs van het Inspecteur Hermansfonds uitgereikt.

 

3. Kennisconstructie en kennisdisseminatie vanuit het lectoraat
Het diepteproject ‘Kennisconstructie en kennisdisseminatie’ maakte als co-project deel uit van een groter onderzoek vanuit de Universiteit Twente naar 'Kennisconstructie en kennisdisseminatie binnen samenwerkingsverbanden in het Nederlandse onderwijsveld'.
Voor het Kempellectoraat omvatte het een evaluatief onderzoek van het lectoraat als leerwerk- en kennisgemeenschap en als kennispartner.
Door de benoeming van beide projectleiders van de Universiteit Twente tot Lector van de HAN respectievelijk hoogleraar-directeur van het ILS van de Radbouduniversiteit werd de voortgang van dit project is onzeker en is uiteindelijk besloten het project in de bovenbeschreven vorm af te ronden. Kennisconstructie en kennisdisseminatie blijven natuurlijk een kerntaak voor het lectoraat.
In het onderzoek zou ook de door het Lectoraat gekozen structuur met enkele kern-, project- en schoolkenniskringen aan de orde komen. Evenals de uitwerking van de verschillende modellen en kaders die binnen het Kempellectoraat een plaats hebben of worden ontwikkeld, zoals het besluit-interventie-doelstellingen of BID-model (Popeijus, 2003) en het binnen het Kempellectoraat ontwikkelde ROTOR onderzoeksmodel.
Daarom is in het kader van de verdere uitwerking van de gekozen vormgeving van het Lectoraat besloten de doelstelling, inhoud en vormgeving voor te leggen aan verschillende hoogleraren en andere deskundige externen. Tevens zijn de doelstelling, inhoud en vormgeving van het Lectoraat gepresenteerd aan het wetenschappelijk forum tijdens de Onderwijsresearchdagen 2006 (Geldens & Popeijus, 2006a) en later aan het praktijkforum tijdens het Veloncongres 2007 (Berg, 2007; Popeijus & Geldens, 2007a). Op basis van de ontvangen reacties is besloten de voor het lectoraat gekozen vormgeving ongewijzigd te handhaven. Verder is het ROTOR-model niet meer primair beschouwd als onderzoeksmodel, maar als denk- en handelingsmodel voor ontwikkelingsbegeleidend onderzoek waarbij de inhoudelijke vragen per fase tevens zijn aangescherpt. Het ROTOR-model (Geldens & Popeijus, 2008) is vanaf de vijfde druk, definitief geworden en leidend voor ontwikkelingen die op of vanuit de Hogeschool worden begeleid door onderzoek.
Voor dit project en de ervan afgeleide deelaspecten, was dr. J. Geldens projectleider.

 

4. Leren en leren onderwijzen met ICT
In het kader van haar doctoraalstage en -onderzoek vanuit de opleiding Onderwijskunde van de Radbouduniversiteit, participeerde in 2006-2007 Linda Romviel onder meer in het eerdergenoemde project Class Server. Tegelijkertijd voerde ze een empirisch (vragenlijst)onderzoek uit naar ‘Leren en leren onderwijzen met ICT’, ten behoeve van een ICT-beleidsplan voor de lerarenopleiding basisonderwijs. De voornaamste aanbeveling naar aanleiding van de onderzoeksresultaten is in het beleidskader van de lerarenopleiding de visie op ICT nadrukkelijk te relateren aan de visie op betekenisvol leren en leren onderwijzen in leerwerkgemeenschappen. Het is dan vervolgens mogelijk daar concrete uitgangspunten en doelstellingen voor het curriculum uit af te leiden. De stage werd ‘met lof’ afgerond.

 

5. Digitale kennisobjecten
Op basis van een onderzoeksplan voerde Linda Romviel naast haar stage ook haar masteronderzoek uit op de hogeschool. Dit diepte onderzoek ging over het gebruik van ‘digitale kennisobjecten’ in de lerarenopleiding. Haar project-ontwerp volgde de PROO/NWO-richtlijnen. De resultaten van het project leverden kennis op te leveren die heeft bijgedragen aan het conceptueel kader voor het ‘leren en leren onderwijzen in leerwerkgemeenschappen’. Als onderzoeker in opleiding maakte Linda deel uit van de kern-kenniskring. Dr.mr. H.L. Popeijus was projectleider.

 

6. Verleiden tot leren
In 2006 en 2007 heeft het diepteproject ‘Verleiden tot leren’ plaatsgevonden. Dit omvatte een masteronderzoek in partnerschap met de Vrije Universiteit Amsterdam naar betekenisvolle leeractiviteiten binnen de sinds 2006 ingerichte tutorgroepen op de Hogeschool. Het onderzoek werd uitgevoerd door Caroline Reiling, onderzoeker in opleiding. Voor dit onderzoek was een onderzoeksplan opgesteld dat de PROO/NWO-richtlijnen volgde.
De instrumentatie voor dit onderzoek begin 2007 leidde tot een vragenlijst voor K2 en K3 aanstaande leraren en hun tutoren die voor de zomervakantie is afgenomen. Het onderzoek is eind 2007 succesvol afgerond.

 

De resultaten van het onderzoek leverden wetenschappelijke zowel als praktijkgerichte kennis op over het functioneren van tutorgroepen voor het betekenisvol leren en leren onderwijzen van aanstaande leraren basisonderwijs. Projectleider was dr. J. Geldens.

 

7.Conceptueel kader leren in leerwerkgemeenschappen
a. In het kader van de schoolontwikkeling heeft de Hogeschool behoefte aan een conceptueel kader met uitgangspunten en kenmerken van het leren en leren onderwijzen in leerwerkgemeenschappen door aanstaande leraren basisonderwijs. Het uitwerken van dit kader wordt naast resultaten uit literatuuronderzoek, mede gebaseerd op onderzoeksresultaten uit de andere projecten. Gezien de beschikbare tijd en de wens de resultaten mede te stoelen op de (praktijk)resultaten uit de andere lectoraatsprojecten zal dit project een tijdsduur van tenminste twee jaar vergen.
In het kader van het ontwikkelen van een nieuw strategische beleidsplan van de Hogeschool is besloten dit project te versnellen en in een eerste versie te beperken tot de kern. In mei 2007 is deze eerste versie van het document ‘Onderzoekend leren onderwijzen in leerwerkgemeenschappen’ (Popeijus & Geldens, 2007b) uitgebracht. Dit document beschrijft de visie en uitgangspunten voor ‘samen mensen verbinden die leren een warm hart toedragen door samen kennis te ontwikkelen, deze samen te delen en te vermenigvuldigen.’
b. In het cursusjaar 2008-2009 is dit document verder uitgewerkt en aan de praktijk gerelateerd, in het kader van een stageopdracht voor een universitaire masterstudent. Eind 2009 zijn de resultaten opgenomen als onderdeel van het boek ‘Betekenisvol leren onderwijzen in de werkplekleeromgeving’(Popeijus & Geldens, Eds. (2009) en tijdens een groot landelijk symposium op 3 november 2011 gepresenteerd. Het Kempellectoraat ‘Leren in leerwerkgemeenschappen’ gaat in 2010-2011 zijn laatste jaar in. Gedurende dat jaar zullen enkele uit dit project voortvloeiende resultaten (zoals de Onderzoekslijn in het curriculum en de ROTOR-systematiek) worden geïmplementeerd in het curriculum van de hogeschool. De projectleiding lag in handen van de lector van het Kempellectoraat ‘Leren in leerwerkgemeenschappen’.

 

8. Samen talent opleiden
Het diepteproject ‘Samen talent opleiden’ omvat een masteronderzoek in partner­schap met de Universiteit Utrecht. Het onderzoek wordt uitgevoerd door Kuintje Scheffers-de Wit, masterstudent van de Universiteit Utrecht en onderzoeker in opleiding. Als zodanig maakt ze tevens deel uit van de kern-kenniskring.
Het project dient naast een artikel of thesis als product, ten minste te resulteren enerzijds in inzicht op vragen als ‘wat is talent (tegen de achtergrond van leren onderwijzen)?’ en ‘aan wat voor opleidingsaanbod hebben talentvolle aanstaande leraren behoefte?’. Anderzijds dient het achtergrond en bouwstenen te leveren op basis waarvan het centrale lectoraatsthema voor de komende drie jaar kan worden uitgewerkt.
Projectleider was de voorzitter van het Kempelonderzoekscentrum.

 

9. Betekenisvol leren in tutorgroepen
In 2006 en 2007 is een diepteproject ‘Verleiden tot leren’ uitgevoerd dat was gericht op de K2- en K3-fase van de opleiding. Uit dit onderzoek kwamen onder meer sleutelfactoren naar voren die het succes van een tutorgroep bepalen. De onderzoeksbevindingen gaven aanleiding om een vervolganalyse uit te voeren. Gebleken is dat bepaalde elementen van betekenisvolle activiteiten binnen zowel als tussen de verschillende tutorgroepen in verschillende mate aanwezig zijn. Door die verschillen nader uit te zoeken was het mogelijk de hogeschool concrete aanknopingspunten te bieden voor verbetering van het betekenisvol leren in tutorgroepen.

 

Docent-onderzoeker en voormalig projectleider van ‘Samen leraar worden’, Marcel Lemmen (vanaf 2009 manager initiële opleiding), is samen met de tutoren bezig met de implementatie van de onderzoeksresultaten in de werkzaamheden van de tutorgroepen K2- en K3-fase van de opleiding.
In de P- en K1/K2-fase van de opleiding zijn de onderzoeksresultaten aan faseteam 1 en de tutoren gepresenteerd. Hieruit kwam de vraag naar voren om ook in deze fase van de opleiding onderzoek te doen naar betekenisvol leren in tutorgroepen om vervolgens ook de consequenties van de onderzoeksresultaten te bepalen en samen acties te formuleren voor dit schooljaar in deze fase. Het project ‘verleiden tot leren’ is dan ook verbreed naar de gehele opleiding onder de naam ‘betekenisvol leren in tutorgroepen’.
Projectleider was de voorzitter van het Onderzoekscentrum.

 

10.Van sturing naar zelfsturing / zelfregulatie van aanstaande leraren 

Het diepteproject ‘Zelfregulatie van aanstaande leraren basisonderwijs: gedrag, vaardigheden en

voorkeur.’ is een masteronderzoek  in partnerschap met de Radboud Universiteit Nijmegen. Het is onderzoek is uitgevoerd door Marlijn Migchels.

Zelfregulatie van studenten staat de laatste jaren centraal binnen het onderwijs. Door nieuwe onderwijsconcepten als ‘het nieuwe leren’ en ‘competentiegericht onderwijs’ wordt er steeds meer van aanstaande leraren verwacht wat betreft het reguleren van het eigen leergedrag. De vraag is echter in hoeverre aanstaande leraren het eigen leren al dan niet zelf reguleren en wat hierin de mogelijkheden van de aanstaande leraren zijn.

Dit onderzoek richtte zich op drie aspecten van zelfregulatie; het leergedrag van de aanstaande leraar, de zelfregulatievaardigheden van de aanstaande leraar en de voorkeur die een aanstaande leraar heeft over het leergedrag. Door deze drie aspecten met elkaar te verbinden ontstaat een breed beeld van zelfregulatie van aanstaande leraren.

Projectleider was de lector van het Kempellectoraat 'Leren in leerwerkgemeenschappen'.

 

11.Studeerbaarheid van de lerarenopleiding 

Het diepteproject Zicht op studeerbaarheid van de lerarenopleiding’ is tot stand gekomen in het kader van een totaalproject (nov. 2008 – juli 2009), een combinatie van stage en masterthesis door Janneke Rutten, in het kader van haar studie onderwijskundig ontwerp en advisering aan de Universiteit Utrecht. Studievertraging en studie-uitval zijn in lerarenopleidingen punten van aandacht. Reeds bekende onderzoeksresultaten gaven nauwelijks inzicht in de ‘studeerbaarheid’ van de lerarenopleiding, vandaar dat het doel van dit onderzoek in de eerste fase van de opleiding was zicht te krijgen op de kenmerken van studeerbaarheid op de lerarenopleiding.

Projectleider was de voorzitter van het Kempelonderzoekscentrum.

 

 

12. Samen leraar worden (breedteproject van het Kempellectoraat 'Leren in leerwerkgemeenschappen)
Binnen dit driejarig breedteproject, dat een looptijd had van 2007-2010, wilden de Stichting Prisma en het Kempellectoraat ‘Leren in leerwerkgemeenschappen’ de doorlopende bekwaamheidsontwikkeling relateren aan onderwijsontwikkeling en zo met elkaar groeien van ‘de school als leverancier van stageplaatsen’ naar ‘partners in leren’ (zie projectplan
). Bij de start van het project zijn bovenstaande bedoelingen vertaald naar te verwachten resultaten en effecten. Verwacht werd onder andere dat het project:

de ontwikkelings- en onderzoekscapaciteit van (aanstaande) leraren verhoogt;

een bijdrage levert aan het strategisch beleid van Stichting Prisma en de Hogeschool;

een bijdrage levert aan de professionalisering (in het bijzonder de onderzoeksvaardigheden) van (aanstaande) leraren;

kennis genereert over kwaliteitscriteria die een bijdrage leveren aan het (gezamenlijk) leren van leraren en aanstaande leraren over onderwijsontwikkelingen.

 

In dit project hebben twee scholen geparticipeerd en er zijn jaarlijks evaluatieverslagen over de opbrengsten ervan. Zie als voorbeeld de evaluatie 2009-2010 van basisschool De Pas en De Liaan.
Projectleider in 2007-2008 en 2008-2009 was drs. M. Lemmen en in 2009-2010 drs. H. Douma.

 

13. Studie wijzer in de tutorlijn

Dit diepteproject was een praktijkgericht onderzoek door Kempelcollega Marianne L’Ortye, naar de inzet van een begeleidingsinstrument in de eerstejaars tutorlijn van Hogeschool de Kempel.

Hogeschool de Kempel wil aanstaande leraren opleiden in een uitdagende leeromgeving waarbinnen differentiatie kan plaatsvinden. Om aanstaande leraren in de eerste fase van de opleiding hierbij te begeleiden wil de hogeschool de gegevens van de persoonlijkheidstest ‘Studiewijzer’ inzetten binnen de tutorlijn.
De tutorlijn heeft tot doel aanstaande leraren te stimuleren tot reflectie en het richten van de aandacht op het eigen handelen. De tutor helpt de aanstaande leraar om na te denken over het beroep dat hij wil uitoefenen. Omdat Studiewijzer inzicht verschaft in de werk-, denk- en handelwijze van aanstaande leraren is de aanname dat StudieWijzer tutoren kan ondersteunen in een meer persoonsgerichte wijze van begeleiden van aanstaande leraren.
Vraagstelling. De volgende onderzoeksvraag is geformuleerd: Hoe kunnen P-tutoren de gegevens uit de Studiewijzer gebruiken als hulpmiddel om te komen tot een meer uniforme persoonsgerichte begeleiding van aanstaande leraren in de tutorlijn van de P-fase van de opleiding?
 
Methode. Voor een oriëntatie op de elementen van persoonsgericht begeleiden binnen de tutorlijn is literatuuronderzoek verricht (o.a. Luken, 2008, Swennen, Jörg, Korthagen, 2001, Teune, 2004). Daarnaast heeft documentanalyse plaats gevonden en zijn in een vooronderzoek in totaal 178 eerstejaars aanstaande leraren, acht tutoren, de jaarcoördinator van de P-fase en de manager van de initiële opleiding betrokken als deelnemers. De data zijn verzameld met behulp van interviews en vragenlijsten en zijn vervolgens geanalyseerd. Bij het testen van het ontworpen kennisobject is gebruik gemaakt van een open vragenlijst die is afgenomen bij acht tutoren uit de P-fase. Het kennisobject is getest aan de hand van een casuïstiek. De verkregen gegevens vormen input voor de verdere monitoring en evaluatie van het kennisobject in studiejaar 2010-2011.

Resultaten, conclusie en aanbevelingen. Op grond van de onderzoeksresultaten was het mogelijk een beroepsproduct, het kennisobject ‘Handleiding bij Studiewijzer’, te ontwikkelen om meer uniforme persoonsgerichte begeleiding van aanstaande leraren te bieden in de tutorlijn van de P-fase van de opleiding. We concluderen dat het kennisobject vooralsnog kansen biedt ter ondersteuning van de professionalisering van P-tutoren als het gaat om het begeleiden met StudieWijzer. Derhalve zou StudieWijzer deel moeten uitmaken van de gehele tutorlijn. In de praktijk echter blijkt dat P-tutoren hier zowel kansen als valkuilen zien en dat afspraken over StudieWijzer binnen de tutorlijn wel zijn vastgelegd door het management maar nog niet volledig zijn omarmd door alle P-tutoren. Hiermee staat of valt het succes van het ontwikkelde beroepsproduct.
Om antwoord te kunnen geven op de hoofdvraag zal in studiejaar 2010-2011 aan de hand van een nieuwe ROTOR-cyclus het ontworpen kennisobject gemonitord en geëvalueerd worden en waar nodig worden aangevuld en/of aangepast. De Studiewijzer is een instrument om persoonsgerichte begeleiding van aanstaande leraren te bevorderen. Het adequaat inzetten van het instrument door de tutoren is hierbij van groot belang. Met andere woorden: de tutor doet ertoe! We pleiten er dan ook voor om tutoren te professionaliseren in het gebruik van dit instrument om hun aanstaande leraren persoonsgericht te kunnen begeleiden.

Begeleiders van dit het leerwerkproject voor de studie Master of Education Pedagogical Studies vanuit Fontys Hogeschool Pedagogiek te Sittard waren dr. J.J.M. Geldens, Mevr. drs. R. Verhoef en Dhr. dr. J. de Jong van Fontys Hogeschool Pedagogiek, Sittard.
Op 29 juni 2010 heeft de eindpresentatie van het HBO-masteronderzoek plaatsgevonden.